
In dit werk, dat zich op het kruispunt bevindt van toegepaste kunst, sculpturale poëzie en narratieve architectuur, deconstrueert de maker de stoel tot zijn meest elementaire semantische bouwstenen. De verticale repetitie van de felgele spijlen — in hun onverbiddelijke orthogonaliteit — genereert een ritmiek die zowel doet denken aan modernistische reductie als aan de penitentiaire architectuur van de negentiende eeuw. Het object ontleent hieruit een paradoxale geladenheid: het is tegelijkertijd uitnodiging en afwijzing, troon en kooi, arena en cel.
Het bovenregister van het werk — een iconografisch veld dat zich manifesteert als een fries van gestileerde maritieme golfkammen — functioneert als een allegorisch contrapunt op de streng geometrische onderbouw. De golven, in hun archaïsch-cartoonachtige articulatie, verwijzen naar een maritieme mythologie waarin het spel (gesymboliseerd door de blauw-witte strandbal) en de overlevingsstrijd (verbeeld door de smekende handen en de miniatuur vuurtoren) onafscheidelijk zijn. Deze beeldtaal kan gelezen worden als een eigentijdse parafrase op de Vanitas-traditie: het vrolijke is vluchtig, het spel dreigt te verzuipen in de onderstroom van de existentie.
Materiaaltechnisch is het werk een bravourestuk: het felle, haast synthetische geel contrasteert met het ceruleumblauw en maritiem wit, waarbij de polychromie functioneert als visuele sirenezang — een lokroep die de toeschouwer verleidt om plaats te nemen, slechts om hem of haar in te sluiten in een narratief van onvrijheid.